
“Zo wil ik altijd reizen, op deze zomerwind…”
Vier gedachten over het alleen zijn die ik meenam op mijn reis:
1. Ik kan me de laatste keer dat ik met hem in bed lag niet herinneren. Ik sluit mijn ogen. Ik zie mijn vingers verdwijnen en verschijnen als ik ze strelend door zijn golvende haren haal. Het voelt zo veilig en ik kan het me niet herinneren.
2. Ze komt dichterbij. Plots ben ik de kleine van ons twee wanneer ik haar donkere lokken op mijn voorhoofd en wangen voel. Ik voel me een kind. Ze lacht. Ik vermoed dat ze me schattig vindt.
3. Als ik in bed lig kijk ik naar zijn rug. Ik hoop stiekem dat hij meer met mij bezig is dan ik met hem. Hij was beter thuisgebleven. Dan was hij nu niet zo een thema geworden. Er wordt beter naar me geluisterd als er niemand is. Of dan praat ik maar tegen een rivier. Als er toch altijd een reden is om te denken dat ik raar ben, dan maar beter praten tegen iets dat niet in je afwezigheid commentaar levert.
4. Dagenlang verder en verder weg van huis. De zon die door de bomen in kleine vlekjes op mijn lijf valt en de muziek van kabbelend water. Een geluid wat een mens bijna dwingt te gaan niksen. De zomerzon die ’s avonds verblindend laag staat na je bedtijd en alles verkleurt naar goud, groen en overbelicht of meterlange schaduwen van zwart.
“Je merkt pas in de winter hoe fijn de zomer was.”
Een film door David Sabelis
Cameravoering, Montage, Muziek: David Sabelis
Met dank aan: Frank Dijkstra, Wim Janssen, Daniel van Hauten, Jo van Laar
Duur: 30min


